Signaleringsblog week 6: actuele jurisprudentie en ontwikkelingen bestuursrecht en omgevingsrecht
In deze blog signaleren wij kort enkele belangwekkende bestuursrechtelijke en omgevingsrechtelijke uitspraken en ontwikkelingen van de afgelopen periode.
I- Jurisprudentie
Tijdelijke sluiting drugspand onevenredig vanwege gevolgen voor bewoner
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (“Afdeling”) oordeelt in haar uitspraak van 29 januari 2025 (ECLI:NL:RVS:2025:314) dat het besluit van de burgemeester om de huurwoning, waarin een in werking zijnde hennepkwekerij is aangetroffen, gedurende 3 maanden te sluiten onevenredig uitpakt voor de bewoonster. De Afdeling overweegt dat het toetsingskader voor woningsluitingen op grond van art. 13b Opiumwet is weergegeven in de overzichtsuitspraak van 28 augustus 2019, ECLI:NL:RVS:2019:2912 en in de uitspraak van 6 juli 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1911. Uit de overzichtsuitspraak volgt dat het ontbreken van iedere betrokkenheid bij de overtreding afzonderlijk of tezamen met andere omstandigheden ertoe leiden dat de burgemeester geen gebruik van zijn bevoegdheid mag maken. Zo kan bijvoorbeeld de betrokkene geen verwijt van de overtreding worden gemaakt, als hij niet op de hoogte was en evenmin redelijkerwijs op de hoogte kon zijn van de aanwezigheid van de aangetroffen drugs in zijn woning. In casu is niet in geschil dat de ex-vriend van de bewoonster de hennepplantage buiten haar medeweten en tijdens haar afwezigheid heeft opgezet. Hoewel de rechthebbende in beginsel een verwijt van de overtreding kan worden gemaakt als deze weet dat in zijn of haar woning een hennepplantage aanwezig is, maar vervolgens geen actie onderneemt (door bijvoorbeeld de politie te bellen), kan de bewoonster - ondanks dat zij van de hennepplantage op te hoogte was - in dit specifieke geval geen verwijt van de overtreding worden gemaakt. Daarbij zijn volgens de Afdeling de psychische problemen en kwetsbare positie van de bewoonster van belang. Gelet daarop kan er naar het oordeel van de Afdeling niet van worden uitgegaan dat zij in staat was om te verhinderen wat er in haar woning is gebeurd en kan haar niet worden verweten geen actie te hebben ondernomen toen zij de hennepplantage ontdekte. Vanwege het ontbreken van meldingen, verklaringen van omwonenden of waarnemingen van de politie over feitelijke drugshandel in of vanuit de woning of van overlast (relevant in het kader van het met het tijdelijke woningsluiting te dienen belang van de openbare orde en de bescherming van het woonmilieu) enerzijds en de nadelige gevolgen voor de bewoonster als gevolg van het tijdelijke sluiten van de woning anderzijds, komt de Afdeling tot de slotsom dat het besluit de bewoonster in dit geval onevenredig zwaar treft.
Per e-mail ingediend verzoek om omgevingsvergunning voor een jachtactiviteit kwalificeert als formele (maar onvolledige) aanvraag
De Rechtbank Limburg oordeelt in haar uitspraak van 17 januari 2025 (ECLI:NL:RBLIM:2025:312) dat het per e-mail bij de korpschef van de Politie (“korpschef”) ingediende verzoek om een omgevingsvergunning voor een jachtgeweeractiviteit moet worden aangemerkt als een aanvraag in de zin van art. 1:3, derde lid, Algemene wet bestuursrecht (“Awb”), ook al staat deze weg daarvoor volgens art. 10.21b Omgevingsbesluit niet open. De rechtbank overweegt in het kader van het ingestelde beroep wegens het niet tijdig beslissen op het verzoek om verlening van een omgevingsvergunning (als bedoeld in art. 5.1 eerste lid, aanhef en onder f, Omgevingswet) dat uit voornoemd artikel uit het Omgevingsbesluit volgt dat een aanvraag voor een jachtgeweeractiviteit door de aanvrager in persoon moet worden ingediend, onder overlegging van een geldig identiteitsbewijs. Dat betekent volgens de rechtbank ook dat de elektronische weg (dus een bericht per e-mail) voor het indienen van een aanvraag niet openstaat. Dat de aanvraag niet voldoet aan de daaraan in de het Omgevingsbesluit gestelde vereisten, betekent naar het oordeel van de rechtbank evenwel niet dat geen sprake is van een aanvraag als bedoeld in art. 1:3, derde lid, Awb; nu niet aan alle indieningsvereisten is voldaan, betreft het een onvolledige aanvraag. Het lag daarmee op de weg van de korpschef om de indiener van de e-mail op deugdelijke wijze gelegenheid te bieden om het geconstateerde gebrek binnen een nader te bepalen termijn te herstellen. Nu de korpschef geen deugdelijk verzuimherstel heeft geboden, was geen sprake van een rechtsgeldige opschorting van de beslistermijn en heeft de korpschef ten onrechte niet tijdig op de aanvraag beslist.
Geringe financiële draagkracht vormt onder bijzondere omstandigheden aanleiding om bestuurlijke boete te matigen
In haar uitspraak van 16 januari 2025 (ECLI:NL:RBGEL:2025:208) oordeelt de Rechtbank Gelderland dat, hoewel de opgelegde bestuurlijke boete wegens overtreding van de Meststoffenwet (“Msw”) op zichzelf beschouwd niet onevenredig hoog is, deze in dit specifieke geval toch moet worden gematigd wegens de geringe financiële draagkracht van betrokkene. De rechtbank stelt vast dat de hoogte van de boete in beginsel in overeenstemming met art. 12 en 57 Msw is vastgesteld. Uit art. 5:46, derde lid, Awb volgt dat ook bij wettelijk voorschrift vastgestelde boetebedragen (waarvan in casu het geval is) het bestuursorgaan niettemin een lagere boete oplegt als de overtreder aannemelijk maakt dat de vastgestelde boete wegens bijzondere omstandigheden te hoog is. Binnen dit kader kan en behoort te worden beoordeeld of de voorgeschreven boete in het concrete geval evenredig is aan met name de aard en ernst van de geconstateerde overtreding, de mate waarin deze aan de overtreder kan worden verweten en, zo nodig, de omstandigheden waaronder de overtreding is begaan. De omstandigheden die daarbij een rol kunnen spelen, zijn die omstandigheden waarmee de wetgever niet reeds bij de vaststelling van het boetebedrag rekening heeft gehouden (vgl. de uitspraken van het College van Beroep voor het bedrijfsleven (“CBb”) van 2 juni 2020, ECLI:NL:CBB:2020:365 en 11 januari 2022, ECLI:NL:CBB:2022:2). De rechtbank merkt de geringe financiële draagkracht van betrokkene in dit specifieke geval aan als een bijzondere omstandigheid die aanleiding geeft om de boete te matigen (vgl. de uitspraak van het CBb van 14 juni 2022, ECLI:NL:CBB:2022:301). Niet alleen heeft betrokkene naar het oordeel van de rechtbank mede in het licht van de toekomstige bedrijfseconomische ontwikkeling van zijn bedrijf voldoende inzicht gegeven in zijn financiële positie, ook constateert de rechtbank dat het totale boetebedrag op basis van de overeengekomen betalingsregeling pas na 13 jaar - en daarmee niet binnen een redelijke termijn - zal zijn voldaan. Omdat de opgelegde boete volgens de rechtbank aldus in strijd met art. 5:46, derde lid, Awb is vastgesteld, stelt de rechter de boete zelf lager vast op een bedrag dat betrokkene in 5 jaar, op basis van maandelijkse betalingen, kan voldoen.
Verzoeker om handhaving ondanks ontbreken ruimtelijk relevante gevolgen vanuit haar woning toch aangemerkt als belanghebbende
In een handhavingsgeschil over het kappen van twee taxusbomen op een begraafplaats oordeelt de Rechtbank Limburg in haar uitspraak van 13 december 2024 (ECLI:NL:RBLIM:2024:10161) ambtshalve dat eiseres een rechtstreeks belang bij het bestreden besluit uitsluitend ontleent aan de omstandigheid dat zij een grafrecht heeft op (een stukje van) hetzelfde kadastrale perceel als waarop de taxusbomen stonden. Gelet hierop heeft eiseres als een soort ‘beperkt zakelijk gerechtigde’ in beginsel een rechtstreeks betrokken belang (in de zin van art. 1:2 Awb) bij het handhavingsverzoek dat zij naar aanleiding van het kappen van de bomen heeft ingediend. De rechtbank overweegt dat een grafrecht in de jurisprudentie en literatuur wordt aangemerkt als een beperkt zakelijk recht dat de rechthebbende de exclusieve zeggenschap geeft over wie in het graf begraven wordt, welke urnen er bijgezet mogen worden en/of welke grafbedekking er wordt aangelegd (zie art. 28 lid 1 Wet op de Lijkbezorging en het arrest van de Hoge Raad van 25 oktober 2002, ECLI:NL:PHR:2002:AE6999). Voor zakelijk gerechtigden geldt volgens de rechtbank naar vaste jurisprudentie dat bij besluiten op grond van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) in beginsel een rechtstreeks betrokken belang wordt aangenomen als het zakelijke recht ziet op het aangrenzende (of daarmee gelijk te stellen) perceel. Omdat eiseres in dit geval beperkt zakelijk gerechtigd is tot een stukje van het bij het handhavingsverzoek betrokken perceel zelf én niet gebleken is dat eiseres geen feitelijke gevolgen ondervindt als gevolg van de bomenkap, merkt de rechtbank eiseres aan als belanghebbende en haar aan het college van burgemeester en wethouders (“college”) gerichte handhavingsverzoek als een aanvraag in de zin van art. 1:3 Awb.
Ingediend Woo-verzoek blijkt AVG-verzoek
De Rechtbank Noord-Nederland oordeelt in haar uitspraak 7 januari 2025 (ECLI:NL:RBNNE:2025:187) dat het college het op de Wet open overheid (“Woo”) gebaseerde informatieverzoek terecht heeft afgewezen, omdat geen sprake is van een Woo-verzoek maar van een verzoek in de zin van de Algemene Verordening Gegevensbescherming (“AVG”). Het college had in eerste instantie een AVG-verzoek van eiser afgewezen, omdat de zoon van eiser geen toestemming had verleend voor de gevraagde inzage in diens dossier. Het daarop door eiser ingediende Woo-verzoek om alsnog de gewenste inzage te verkrijgen wees het college eveneens af, omdat met het verstrekken van de gevraagde privégegevens geen publiek belang zou zijn gediend. De rechtbank overweegt dat uit Afdelingsrechtspraak volgt dat als hoofdregel geldt dat een op de Wet openbaarheid van bestuur (Wob; inmiddels vervangen door de Woo) gegrond verzoek om informatie, vervat in documenten over een bestuurlijke aangelegenheid en tot een bestuursorgaan gericht, kwalificeert als een Wob-verzoek is. Het enkele feit dat de verzoeker de informatie vraagt vanwege zijn persoonlijk belang bij kennisneming van de informatie en/of met het oog op het gebruik van de informatie in een procedure tegen het bestuursorgaan of derden, betekent niet dat geen sprake is van een Wob-verzoek (vgl. de Afdelingsuitspraak van 20 mei 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1268). Dit is alleen anders, zo volgt uit deze rechtspraak, indien i) uit de aard van het verzoek, ii) uit de inhoud van het verzoek of iii) uit uitlatingen van de verzoeker blijkt dat de verzoeker geen Wob-verzoek heeft beoogd in te dienen. Bij uitzondering i) kan worden gedacht aan het geval dat iemand inzage in zijn dossier of in zijn persoonsgegevens vraagt, in welk geval het verzoek aan te merken als een AVG-verzoek (of een verzoek om inzage op grond van een andere wettelijke regeling, waarin een inzagerecht is opgenomen). Het is aan het bestuursorgaan om, als de indiener een beroep op de Woo heeft gedaan, met een beroep op een van deze uitzonderingen deugdelijk te motiveren dat zich een uitzondering op de hoofdregel voordoet. Omdat de aard van het verzoek van eiser volledig in de privésfeer ligt, is naar het oordeel van de rechtbank in dit geval geen sprake van een Woo-verzoek maar van een AVG-verzoek. Aangezien de zoon expliciet heeft aangegeven geen toestemming te willen verlenen aan het verzoek om inzage, heeft het college het AVG-verzoek eveneens terecht geweigerd.
II – Ontwikkelingen wet- en regelgeving
Kamerbrief over spoedbehandeling Afdeling advisering wetsvoorstel verlengen termijn legalisatieprogramma PAS-projecten
De minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur (LVVN) heeft de Tweede Kamer geïnformeerd dat het wetsvoorstel voor het verlengen van de wettelijke termijn voor het uitvoeren van maatregelen voor de legalisering van de PAS-projecten (projecten in het kader van het Programma Aanpak Stikstof) zal worden aangeboden aan de Afdeling advisering van de Raad van State (“Afdeling advisering”) met het verzoek dit voorstel met spoed te behandelen. Met de beoogde verlenging wil het kabinet tijd creëren om oplossingen te realiseren voor PAS-melders. Het wetsvoorstel is daarnaast van belang voor de motivering van afwijzende beslissingen op eventuele handhavingsverzoeken. De tekst van het wetsvoorstel en de memorie van toelichting worden openbaar, nadat de Koning het wetsvoorstel voor advies heeft aangeboden aan de Afdeling advisering.
Internetconsultatie Kaderwet rijksinspecties
Op 27 januari 2025 is een internetconsultatieronde gestart voor de Kaderwet rijksinspecties. De toezichthouders van de rijksinspecties vormen de ogen en oren van politiek, beleid en uitvoering. Het is daarom van belang dat zij hun toezichtstaak onafhankelijk kunnen uitoefenen, zodanig dat hun bevindingen niet worden beïnvloed door politieke afwegingen of druk uit het beleid of de onder toezicht staande organisaties. Het wetsvoorstel heeft als belangrijkste doel om de onafhankelijke taakuitoefening van rijksinspecties wettelijk te waarborgen en bevorderen door hen te vrijwaren van oneigenlijke beïnvloeding. Dat vergt volgens de wetgever - naast een onafhankelijke positionering ten opzichte van het toezichtveld en ondertoezichtstaanden - wettelijke waarborgen voor een onafhankelijke positie ten opzichte van politiek en beleid. Het wetsvoorstel is vormgegeven als kaderwet waarin algemene principes, verantwoordelijkheden en procedures worden vastgelegd. Tot en met 28 maart 2025 is het mogelijk om te reageren op de consultatiedocumenten.
Start internetconsultatie Verzamelbesluit Omgevingswet IENW bodem en water 2026
Het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat bereidt via het Verzamelbesluit Omgevingswet IENW bodem en water 2026 een wijziging voor van een aantal besluiten die horen bij de Omgevingswet. Het gaat om het Besluit activiteiten leefomgeving, het Besluit kwaliteit leefomgeving, het Omgevingsbesluit en het Besluit bodemkwaliteit. Het grootste deel van de wijzigingen betreft puur technische punten zoals het oplossen van verschrijvingen, inconsistenties en herstel van onjuiste verwijzingen. Een kleiner deel betreft het corrigeren van inhoudelijke omissies en het aanscherpen en versoepelen van een aantal bestaande verplichtingen. Het ontwerp-verzamelbesluit is vanaf 31 januari 2025 voor internetconsultatie vrijgegeven; tot en met 2 maart 2025 is het mogelijk hierop te reageren.
Op de hoogte blijven van nieuwe ontwikkelingen?
Met onze Stibbeblogs blijft u op de hoogte van ontwikkelingen op het terrein van het bestuursrecht en omgevingsrecht. Wilt u graag automatisch via e-mail op de hoogte worden gehouden over een blogupdate? Meld u zich dan op onze website aan voor het ontvangen van een e-mail attendering bij het verschijnen van nieuwe bestuursrechtelijke en omgevingsrechtelijke Stibbeblogs. Eerder verschenen Signaleringsblogs kun u hier raadplegen.