Unierecht en nieuwe beroepsgronden die zeer kort voor zitting worden ingediend

Article
NL Law
Expertise

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelt in haar uitspraak van 5 maart 2025 dat het niet in strijd is met het Unierecht om beroepsgronden wegens strijd met de goede procesorde buiten beschouwing te laten.

De Afdeling overweegt dat uit vaste jurisprudentie van de Afdeling volgt dat nadere argumenten en stukken ook na afloop van de beroepstermijn kunnen worden aangevoerd ter motivering van een eerdere beroepsgrond, tenzij dat in strijd is met een goede procesorde (ECLI:NL:RVS:2025:873). Voor het antwoord op de vraag of van dit laatste sprake is, is de tiendagentermijn van art. 8:58 Algemene wet bestuursrecht (Awb) van belang, maar niet doorslaggevend. Van strijd met de goede procesorde is sprake, als nieuwe argumenten, gegevens of stukken verwijtbaar zo laat worden ingediend en/of zodanig complex of omvangrijk zijn dat dit (i) de andere partijen belemmert om daarop adequaat te reageren, (ii) de Afdeling belemmert in haar voorbereiding van de zitting of (iii) de goede voortgang van de procedure op een andere wijze belemmert.

De Afdeling stelt vast dat in dit geval twaalf dagen voor de zitting een nader stuk is ingediend dat nieuwe beroepsgronden bevat, waarop de andere partijen niet adequaat hebben kunnen reageren. Ook heeft dit de Afdeling belemmerd in haar voorbereiding van de zitting. Naar het oordeel van de Afdeling verzet het Unierecht zich er niet tegen dat de rechter dergelijke kort voor de zitting ingebrachte nieuwe beroepsgronden buiten beschouwing laat wegens strijd met de goede procesorde, ook als het onder meer gaat om Unierechtelijke milieuvoorschriften. Het gaat volgens de Afdeling om een passend mechanisme om het goede verloop van de procedure te waarborgen (vgl. de arresten van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 15 oktober 2015, ECLI:EU:C:2015:683, 15 maart 2017, ECLI:EU:C:2017:209 en 15 juni 2023, ECLI:EU:C:2023:477). Hoewel de toepassing van dit mechanisme er niet toe mag leiden dat de toegang tot de rechter op grond van art. 11 mer-richtlijn in de praktijk onmogelijk of uiterst moeilijk wordt gemaakt (vgl. het hiervoor aangehaald HvJ-arrest van 15 juni 2023), is daarvan in dit geval geen sprake: appellante heeft niet gemotiveerd waarom zij deze beroepsgronden niet eerder heeft kunnen aanvoeren.

Daarmee heeft de Afdeling een goede balans gevonden tussen alle betrokken belangen. Met name de ruimte die een partij heeft om goed gemotiveerd alsnog laat nieuwe gronden te mogen aanvoeren is daarbij van belang. Overigens zou het goed zijn indien in het bestuursprocesrecht structureler wordt nagedacht over het hanteren van duidelijke strakke termijnen voor het indienen van nieuwe gronden en stukken, zoals die ook in het civiele procesrecht gelden. De drie criteria die de Afdeling noemt zijn voor interpretatie vatbaar en geven in de praktijk niet altijd de gewenste duidelijkheid.

Dit bericht is ook verschenen op mr-online.nl.